UIT EIGEN KAST
Soms ben ik in de bibliotheek om boeken te lenen, maar bij het zien van het gigantische aanbod verstar ik en ren ik bij wijze van schrijven naar huis om maar een nog ongelezen boek uit de eigen collectie ter hand te nemen. Zo doende las ik het alleraardigste ‘Een vak vol boeken: herinneringen aan veertig jaar leven in en om de uitgeverij’ van Wim Schouten, met veel anekdoten over De Bezige Bij en de schrijvers uit die stal. Herinneringen aan Adriaan Morriën, Hugo Claus, Bert Schierbeek, W.F. Hermans, Victor E. van Vriesland en Simon Vinkenoog. De laatste begon plotseling over spiritualiteit en God te schrijven (in ‘Liefde, 70 dagen op ooghoogte’), tot vermaak van Schouten: ‘Heb ik steeds aan mijn kinderen verteld dat God niet bestaat en nu kom jij ze vertellen, dat het wel zo is.’
Ook mooi, verschenen in februari van dit jaar: ‘De eeuw van Sonja Prins’ van Lidy Nicolasen, over de eigenwijze dichteres (1912-2009) die Ravensbrück overleefde en die de laatste tientallen jaren van haar leven sleet in een vervallen boshut bij Baarle-Nassau, vrijwel ontoegankelijk door alle deuren blokkerende stapels boeken en documenten. Wat een leven wordt in dat boek beschreven: dochter van Api Prins en Ina Willekes MacDonald, en zelf moeder van kinderen die niet dezelfde vader hadden. Ravensbrück, haar tijd bij de CPN en de zelfmoord van haar dochter Lissa zijn de barsten in haar leven. Stel je voor: je zwaar depressieve dochter zit opgesloten in een kliniek in Wolfheze, en na haar dood krijg je alle brieven die je aan je suïcidale dochter hebt geschreven terug: in ongeopende enveloppen, de brieven van een moeder werden door haar dochter ongelezen gelaten. Een erger postuum verwijt bestaat bijna niet. In bloemlezingen van vrouwelijke dichters kom je haar naam bijna nergens tegen; niet in 'Vrouwen dichten anders' (2000), niet in 'Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis' (1999).
Een andere dichteres gelezen, wel in beide bloemlezingen opgenomen, vorig jaar eigenlijk vrij anoniem gestorven maar die haar sporen heeft nagelaten: Ankie Peypers, die in 1946 debuteerde met de bundel ‘Zeventien’.
Ook weer gegrasduind in een van mijn favoboeken, ‘Het slotfeest’ (2004) van Jacques Kruithof, een boek van 635 blz, dat zich afspeelt in Amsterdamse kringen van het hoger beroepsonderwijs. Het is een boek in dagboekvorm geschreven, vol beschouwingen over de teloorgang van het onderwijs in de jaren zeventig en tachtig door de socialistische en marxistische tendensen in die tijd, het werkklimaat aan een instituut voor hoger onderwijs in Amsterdam, een honderden bladzijden lange grafrede op het culturele verval in Nederland en de kaalslag die de onderwijsvernieuwingen teweeg hebben gebracht.
Verder, bij wijze van troost en vlucht, in de roman van Kruithof veel beschouwingen over componisten als Gustave Mahler en Berlioz, en schrijvers als Robert Musil, Thomas Mann, Gustave Flaubert, Cesare Pavese en Marcel Proust. (Kruithof publiceerde al eerder over Mann en Musil.)
Het hoofpersonage, docent Melchior, wordt treurig van zijn luie studenten, met het ouder worden komt hij steeds verder van hun leefwereld af te staan en hij bestrijdt, gelijk Balkenende, de zesjescultuur.
‘Het past bij de gewichtloosheid die hen zo vaak kenmerkt: soms aperte domheid, soms onverschilligheid, en altijd een gebrek aan scherpe intelligentie en gerichte wilskracht; er is geen behoefte wezenlijk te veranderen, zichzelf te overtreffen. Wat impliceert dat ze evenmin behoefte hebben aan mij, of mijnsgelijken.’
Destijds betaalde ik de volle mep voor ‘Het slotfeest’, dat nu voor een grijpstuiver bij De Slegte ligt. Het was het waard, een mooi boek.
Muziek van het moment: The Fires of Ork, 'Gebirge'
Reacties