Antoinewiertz_laliseusederomans_5Over mezelf: ambtenaar (archieven). Veellezer. Liefhebber Nederlandse literatuur. Poëzie (ook zelf beoefenend). Kunstgeschiedenis. Politiek en openbaar bestuur. Muziekfreak: progrock, dark wave maar ook veel andere stromingen. Geboeid door imagovraagstukken.
Lijfspreuk: beproef je vooroordelen.
Op verzoek de oorspronkelijke binnenkomer van dit weblog in ere hersteld: ‘La liseuse de romans’ van Antoine Wiertz.
Neem ook eens een kijkje bij vrienden:

www.forum.archieven.org
www.verlaine.web-log.nl
www.ggm-utermark.blogspot.com
www.quintusvermeulen.blogeiland.nl 
www.babrios.blogspot.com

NOTEN

Gisteren een groot deel heengegaan met werkzaamheden ikv harmonieorkesten (met namen als 'Oefening Zij Ons Doel'). Heb ik niet echt veel mee. Zelfs niet met de Engelse speelfilm 'Brassed off' (over mijnwerkersdorpslawaaigezelschap dat meedoet aan wedstrijd), waarover destijds iedereen enthousiast behalve ik. Als ik naar Engelse achterstandswijkenspeelfims wil kijken, dan maar terug in de tijd, het kijforkest van 'Coronation street', met Ena Sharples, nog her en der op Youtube, niet de serie die nu op SBS is te zien (waarvoor toch hulde).
Eindexamenwerk gezien van studenten a/d academie beeldende kunsten. Mooi werk, rauw, lustvol, hier en daar brekend met de angst voor traditie en al te ostentatieve vernieuwingsdrang. Meisjesstudenten schamen zich niet voor getekende gekleurde bloemetjes.
Vita Twee kerkhoven bezocht in Den Haag, waaronder Oud Eik en Duinen, door sommigen de mooiste begraafplaats van Nederland genoemd. ‘De doden hangen in het stadsarchief/met honderd samen op een negatief.’ (Eva Gerlach, ‘Register’). Inderdaad de aanvechting naar het stadsarchief te gaan om, na op het kerkhof de gegevens van grafstenen te hebben genoteerd, op zoek te gaan naar wie de doden bij leven waren. Op Oud Eik en Duinen een mooi monument, geschonken door het bestuur van de begraafplaats, ter ere van alle overledenen. Op Oud Eik en Duinen miste ik helaas, zoals wel aanwezig bij die andere begraafplaats, een computergestuurd register waarop je de naam van overledenen kunt intoetsen en je de plaats van de graven wordt gewezen.
Verder geheel in Bloomsbury-sferen. Bekijk de BBC-serie ‘Portrait of a marriage’ (hoofdrollen Cathryn Harrison en Janet McTeer) over het liefdesleven van Vita Sackville-West (MCTeer), naar het boek van Vita's zoon Nigel Nicolson, dat ik ernaast lees. Mooi onderkoeld spel, toch zinderende passie. Cathryn Harrison als de warmbloedige Violet lijkt als twee druppels water op Madonna in haar Virgin-periode. Daarnaast lees ik de liefdesbrieven van Virginia Woolf aan Vita.

Gelezen de publicatie (eigenlijk een soort reader) 'Prof. dr. W. Mengelberg' van C. Baurichter-Jonkers, geheel gewijd aan de grote en omstreden dirigent van het Concertgebouworkest. Mengelberg, in 1951 overleden, juist het jaar dat hij weer zou mogen terugkeren na zijn straf (dirigeerverbod) wegens zijn collaboratie met de Duitsers, blijft een raadselachtig persoon. Mooi is de bijdrage van C. Kerbosch, die vijftig jaar na dato zijn herinneringen opschrijft aan de concerten die hij heeft bijgewoond, onder leiding van Mengelberg. Mengelberg kon het orkest kennelijk betoveren, de muziek klonk ineens intenser: 'Tot dan toe had ik diverse concerten in het Concertgebouw meegemaakt onder andere dirigenten, maar vanaf het moment, dat Willem Mengelberg de dirigeerstok hief en de inzet van dit werk aangaf - hetzij mijn getuigenis - was er een andere wereld op het podium! Er werd heel anders gemusiceerd; direct, duidelijk en intens'.
Nog steeds overdonderd door de uitvoering van Tschaikovwsky VI o.l.v. Mengelberg in 1944  bezoekt Kerbosch in de tweede helft van de jaren zeventig de opvoering van hetzelfde muziekstuk o.l.v. een gerenommeerde dirigent, maar: 'het was een blikken, leeghoofdige voorstelling! Alleen de noten werden accuraat gespeeld, maar van hetgeen 'achter de noten' is, klonk niets'.

Nee? De muziek is fantastisch en al bijna veertig jaar oud:

Muziek van het moment: CAN, cd 'Future days'

ONGELUKKIGE HANDJES

Een tijdje terug naar een overzichtstentoonstelling in Amsterdam, met veel schilderijen en portretten uit de zestiende en zeventiende eeuw. De geportrettreerden zagen er voornaam uit, maar bezaten vaak ongelukkige handjes. In veel gevallen had de schilder de handen dan ook weggelaten. Ik probeerde niet zo kritisch te zijn als Hans Warren, van wie ik het dagboekdeel 1984-1987 herlees, inclusief de verslagen van museumbezoeken. Ook hij heeft het over slecht geschilderde handen (Emmausgangers van Van Meegren). ‘Als je niet naar de Anthony van Dycktentoonstelling gaat tel je niet mee. Of je de schilderijen van die knakker met volle aandacht gaat bekijken of in het museum maar wat rondhangt, dat dondert niet. Bverhoeff Het enige wat dondert is dat je een ticket van je museumbezoek laat rondslingeren in je woonkamer, zodat het bezoek zegt: ‘Ha, ben je ook naar de Anthony van Dycktentoonstelling geweest? Prachtig, vind je niet? Die kleuren! Die vormgeving! Die structuren! Heb je nog wat te drinken in huis?’ (uit ‘Vergeef mij de liefde’, Herman Brusselmans, bladzijde 59; vanaf bladzijde 101 verspringt het boek ineens naar bladzijde 505, alsof de auteur bij wijze van zelfspot de eentonig- en langdradigheid van het verhaal wil accentueren ).
Poging ‘Uit naar Brooklyn’ (1957/1968) van Hubert Selby te lezen. Rauw! De sfeer van vroeger, tot diep in de nacht uitgaan en daarna nog met mensen mee naar huis om wat na te drinken, wat vaak uitliep op verveeld gehang. Toch een belangrijke roman, over de treurnis van verliefde en als vrouw opgemaakte nichten, die als mens niet gezien worden, over jongeren die denken dat ze de toekomst nog hebben, maar deze vergooien door zelfdestructief gedrag. Nog altijd actueel. Het deed me een beetje denken aan een van de eerste boeken die ik als jongeling heb gekocht, de roman ‘Parfait amour’ (1979) van Lucienne Stassaert, met in mijn herinnering androgyne personages, en de romans van Hermine Landvreugd.
‘De wespen’ (1966/1979) van Peter Handke, gelokt door de eerste bladzijde waarop cursief staat ‘het inschakelen van de herinnering’, wat mij als archiefman natuurlijk aanspreekt. Maar ik raakte al snel de draad kwijt. Het uitschakelen van de herinnering kan ook zijn nut hebben, zo bleek afgelopen week. Onderzoekers op bezoek voor het archief, die voor de zekerheid nog wat oude dossiers raadpleegden voor hun publicatie in wording, en meenden, op grond van wat zij eerder hadden gezien, niets bijzonders te zullen aantreffen, maar die zich toch verlekkerden aan archivalia die cruciaal bleken.
Het heerlijke minimalisme van Nescio’s ‘Natuurdagboek’, een halve eeuw later fotografisch her te beleven in het mooie boek ‘De boomgaard der gelukzaligen: de wereld van Nescio – 50 jaar later’ (1999) van Bert Verhoeff.

Muziek van het moment: Alberta Cross, Taking control'

IMMIGRANT SONG

Vorige week naar de Hermitage aan de Amstel (Amsterdam) geweest, de laatste dagen van de tentoonstelling ‘Aan het Russische hof’, met mooie kostuums, kleding, gebruiksvoorwerpen en schilderijen van de Russische aristocratie uit de tsarentijd, waarbij men zich moet voorstellen dat men zich in het Winterpaleis bevindt. Ja! Daar ben ik ook in het echt eens geweest, toen Sint Petersburg nog Leningrad heette. Prachtige stad!
Maandag jl naar ‘De Kersentuin’ (Tsjechov), een opvoering door het Nationaal Toneel in de Koninklijke Schouwburg, onder regie van Erik Vos. Ook fraai. Van Tsjechov heb ik alleen zijn brieven gelezen (aan schrijver Gorki en actrice Olga Knipper).

Frida Vogels, ‘Dagboek 1966-1967’ (2009). Eigenlijk interesseer ik mij niet zo voor de passages die zich in Italië afspelen, terwijl dat toch de crux is van die delen: hoe verloopt de Fvog aanpassing in een vreemd land, aan de cultuur en gewoonten daar. Mooie passages over het (vergeefs) in leven zien te houden van een in huis genomen poes met een gezwel. Wat ik wel/ook boeiend vind zijn de bladzijden die haar vakanties in Nederland beslaan, de ontmoetingen met Han en Lousje Voskuil, hun onzinnig aandoende gesprekken, bijvoorbeeld  dat er eigenlijk moet worden opgetreden tegen mensen die schrijven zonder dat die er recht op hebben. Vogels die haar intrek neemt in een luidruchtig familiehotel in Haarlem en haar herinneringen opschrijft, proberend haar opspelende zenuwen in bedwang te houden. Vogels die zich, vaak met terugwerkende kracht, een houding probeert te geven in gezelschap, tegenover zichzelf. In dit deel wordt zij geconfronteerd met de kritiek van Voskuil (e.a.) op haar manuscript van wat later 'Kanker' zou worden ('De harde kern'), kritiek die zij soms als een aanval beschouwt.
En uiteindelijk, na die Hollandse intermezzi, keert Vogels steeds weer terug naar Italië.
Ik krijg wel eens emails van en over Nederlanders die al tientallen jaren in een vreemd land wonen en naar een ander land willen verhuizen. Dat laatste land eist soms allerlei bewijsstukken op uit de Hollandse periode van die burger, en die heeft men vaak niet meer. En dan rest er soms niets anders dan een beroep te doen op de archieven van  een al lang geleden verlaten vaderland.

De Elfstedenkoorts is alweer geluwd, ook dit jaar zal het er vermoedelijk niet van komen. Maar stel: je bent een immigrant afkomstig uit een warm land, hoe kijk je dan tegen die Elfstedentocht (dit keer wel gehouden) aan? Nog mooier: je neemt er aan deel! Dat deed   Mohammed Nasr, in 1977 vanuit Marokko in Nederland terechtgekomen. Bestaat er een mooiere manier van inburgeren? Zijn verslag publiceerde hij onder de toepasselijke titel ‘De Elfstedentocht’ (1987, De Geus). Daarin beschrijft hij zijn aanpassing aan een vreemd koud land, zijn pogingen om zich gaandeweg los te maken van landgenoten, Marokkanen die er een gewoonte van maken onaangekondigd langs te komen, en beledigd reageren als hij meldt het bezoek niet op prijs te stellen als er niet eerst een afspraak is gemaakt. ‘Ik vind dat je, als je in een land woont en er leeft, je maar moet aanpassen en dat is hen in het verkeerde keelgat geschoten’.
Zijn verwondering over het integratiebeleid van de Nederlandse overheid:
‘Het Nederlandse Ministerie van Onderwijs wil de talen, die de buitenlanders spreken, zelfs  verplicht stellen op scholen. Met deze gedachten hopen de Nederlanders bevrijd te worden van de gestoofde aardappelen’. Maar dat beleid is inmiddels afgeschaft.

Muziek van het moment: Chris Whitley, 'Look what love has done'

KOKEND WATER

Dossiers die ruim zestig jaar geleden zijn uitgeleend en nooit terugbezorgd alsnog zien op te sporen, begin er maar eens aan. Het vak verandert, papier wordt steeds meer teruggedrongen (verdwijnen zal het niet) door digitalisering, de DIV verdwijnt geleidelijk, en toch hou ik mij bezig met de heer de Reuver die in november 1949 een dossier leende. Allemaal omdat het hier gaat om dossiers waar (nog steeds) wetenschappelijke belangstelling voor bestaat, of die wellicht leemtes kunnen opvullen in de historische kennis over een bepaald beleidsterrein tot nu toe.
Boekje gevonden van Kees Fens voor de buitenlandse markt, 'Vingt ans de litterature Neerlandaise' (1975), gesubsidieerd door de Nederlandse overheid. Met aardige illustraties en foto's van behandelde schrijvers, onder wie Wolkers, Achterberg, Lucebert, Jan Hanlo, Jacques Hamelink en Jacques Firmin Vogelaar.
Ceggink Ook aangename lectuur: 'De brieven aan Josine M.' van Gerard Reve, met veel prachtig geoudehoer over astrologie. De bundel wijkt af van andere brievenboeken van Reve, geen voorstellingen van te tuchtigen jongensbillen, ook andere grofheden laat Reve in dit boek achterwege. Al zullen er altijd mensen zijn die aanstoot nemen aan de beschrijving van Spaanse gehandicapten (Reve verblijft in Algeciras)
‘kreupelen, zonderlinge poliogedrochten, schudders en uitzinnigen, maanzieken, mensen met armen als kinderbeentjes, aan de einden waarvan de Natuur, bescheidenlijk, slechts kurketrekkervormige wijsvingertjes heeft aangebracht, vrouwen met half opgegeten neuzen waarop slechts een stuk leukoplast, lege oogkassen zonder lapje of wat, zodat je in de bloedrijke vleesgrot zelf kijkt (…)’.
In de bundel ook de beroemd geworden zin (Reve verblijft in Tanger en ergert zich aan de oproepen tot gebed vanaf de minaret): ‘het klinkt of acht mensen tegelijkertijd met kokend water worden overgoten’.
Ook mooi: ‘Voor het vandaag werd’ (2000) van Aya Zikken (1919), persoonlijke herinneringen aan schrijvers uit de jaren zestig (oa Mulisch, Vinkenoog, Margaretha Ferguson, Willy Corsari, Hella Haasse en Gerard Reve, bij wie de schrijfster enige tijd op kamers woonde in de Rozendwarsstraat in Amsterdam). Mooie confrontaties met de opvliegerige Clara Eggink (foto), ruzie of een bepaald gedicht nu wel of niet van Emily Dickinson was (Zikken had gelijk).
Een mooi boek, waard om nog wat langer voor op te blijven, ook als je de volgende ochtend weer vroeg naar het werk moet.

Muziek van het moment: Finch, 'With love as the motive'

POËZIEMEISJE

‘Waar het verleden hangt in walm en rag
waardoor hij ronddoolt als een schim bij dag,
stilstaand en mompelend of hij verloor,
zoekt, vond en weer verloor…’
(Slauerhoff)

Wandelend archief, afgelopen week weer van toepassing, kennis in hoofden van archiefmedewerkers, die hiaten in het organisatiegeheugen weten op te vullen/compenseren en zo de beeldvorming over hen, voorzover die een twijfelachtig karakter had, weten bij te stellen.
De voorzitter van de Commissie Davids zei het dinsdag ook al tijdens zijn presentatie van het Irak-rapport: niet alles is boven tafel gekomen, soms was een document zoek, medewerkers van toen waren vertrokken, anderen hadden last van hun geheugen. Benieuwd of ook archiefmedewerkers zijn ondervraagd en niet alleen maar als loopjongens/meisjes zijn gebruikt.
Verkleed_als_mens In een oud archiefstuk (handgeschreven, schuin schoonschrift, nou ja, schoon…) las ik de term ‘pensioengerechtige leeftijd’, maar het leek in eerste instantie alsof er stond ‘penisgerechtigde leeftijd’. Ja, ik heb een leuk beroep.
Gelezen: ‘Nadine’ (2007) van Karin Overmars, een roman over een Hollandse au pair in Frankrijk, zeer geschikt voor de leeslijst op de middelbare school. Het vriendje van Nadine, Th., een labiele New Age-softie, therapiehopper en ‘soul searcher’, zoals hij zichzelf noemt, legt het aan met het door Nadine gehate ‘Poëziemeisje’. Het Poëziemeisje wordt dan ook niet positief beschreven:
‘Het Poëziemeisje is fors gebouwd. Fors en sterk en gezond. Ze heeft het lichaam van een Zweedse plattelandsvrouw. En ze heeft borsten die ongeschikt zijn voor het beoefenen van welke sport dan ook, tenzij je acteren in een pornofilm als een sport beschouwt’. Volgt even later een gemene passage over een partijtje squash van het Poëziemeisje. Alles wat je van een au pair-roman mag verwachten (de man des huizes die het op haar heeft voorzien, en andersom), komt in ‘Nadine’ voor. De roman van Overmars veroorzaakte nogal wat deining, omdat zij de roman aanvankelijk (anoniem) op de website van FOK startte en in haar roman onaangekondigd de reacties van lezers in haar boek opnam. Hoe zit het met het copyright? Nadien (Nadine) speelde Overmars de titel van haar andere roman na: ‘Vermoorde onschuld’.
Gelezen: ‘Verkleed als mens’ (2004) van Wouter van Oorschot, een autobiografische roman over de zelfmoord van zijn broer Guido en de gevolgen die dit had voor zijn leven en dat van zijn ouders. De roman geeft tevens een inkijkje in het leven van uitgever Geert van Oorschot  en de moeizame vader-zoon relatie, ook beschreven in de correspondentie tussen Van Oorschot en M. Vasalis (zie elders op dit weblog).
Ook elders op dit weblog aandacht voor het boek ‘De grote zaal’ van de Nederlandse schrijfster Jacoba van Velde; dit meesterwerkje werd deze week verkozen tot gratis geschenk voor de komende ‘Nederland leest’-editie. In diverse kranten het bericht dat veel mensen, ook de in literatuur ingewijden, nog nooit van Van Velde hadden gehoord. Foei toch! ‘De grote zaal’ vind ik een terechte keuze. Jacoba van Velde (geboren in Zoeterwoude), die net als haar schilderende broers Bram en Geer lang in Frankrijk heeft gewoond, en vriendin en literair agente was van Samuel Beckett, liet een klein oeuvre na, waarvan ‘De grote zaal’ het hoogtepunt is. Bram en Beckett zochten elkaar ook veel op, twee norse zwijgers. Bram leefde zeer sober en stierf volgens de verhalen ook dito: op een keukenkruk.

Muziek van het moment: Serge Gainsbourg, 'Shush shush Charlotte'

WOELIG WATER

‘De tijden, zegt hij, zijn niet meer als vroeger’ (M. Nijhoff, ‘Awater’). Vroeger, wat was er dan, vroeger? Dat las ik in het mooie boek (ook qua vormgeving) ‘Leven op stand: 1890-1940’ (1998) van Ileen Montijn, over de wooncultuur bij de elite van Nederland (advocaten, dominees, etc), deels gebaseerd op bronnen uit het Gemeentearchief van Amsterdam. ‘Als dit boek een nostalgische inslag heeft, geldt het heimwee niet het leven zoals het toen was, maar het veilige gevoel dat erbij hoorde’, schrijft Montijn, en dat is precies een van de redenen waarom archieven zo populair zijn en dankzij Internet veel toegankelijker zijn geworden.
Virgwoolf Zag op tv een mooi interview van Arie Boomsma met Maaike Meijer, beroemd feministe en biografe van de dichteres M. Vasalis. Ik genoot erg van de briefwisseling tussen Vasalis en Geert van Oorschot, vorig jaar verschenen (‘Briefwisseling 1951-1987’), vooral van de niet door mij verwachte zeer levendige brieven en oordelen van Vasalis, die bijvoorbeeld stelt dat alles wat A. den Doolaard schrijft ‘constant mislukt’. Maar wat is dat oordeel eigenlijk waard als Vasalis diens naam spelt als ‘Den Doolaart’. Zij leek niet gecharmeerd van de Vijftigers, maar achtte Lucebert een groot dichter en bewonderde ook (o.a.) A. Morriën en Eva Gerlach. Vasalis probeerde soms een jonge dichter(es) bij Van Oorschot gepubliceerd te krijgen, stuurde hem hun gedichten op. De brieven van de steeds vaker in het ziekenhuis belandende Van Oorschot worden na de dood van zijn vrouw langer en emotioneler. Hij (als R.J. Peskens) stuurde ook zijn verhalen en gedichten eerst voor beoordeling naar Vasalis. De laatste brief aan Vasalis schreef hij twee uur voor zijn dood. Een prachtig correspondentieboek, hulde aan de samenstellers.
Ook grijp ik soms terug op/naar ‘Schrijversdagboek’ van Virginia Woolf, erg mooi. Zij spreekt zichzelf toe ‘ik vind vijftig nog geen bijster hoge leeftijd’. Nog niet zo lang geleden las ik een artikel (ik meen van Daniel Robberechts, zelf later ook een zelfmoordenaar) over hoe vaak Woolf, ook nog eens de schrijfster van 'The Waves', in haar werk toespelingen maakt op haar aanstaande vrijwillige verdrinkingsdood. Ook in ‘Schrijversdagboek’ vlak voor haar dood geschreven zinnen als: ‘Gisteren is de rivier buiten zijn oevers getreden. Water gebroken. De overstroming is nog dieper en voller. Elders is de oever ook gebroken. In een cascade overstroomt het land: de zee is onpeilbaar diep. Er staat ons een week met woelig water te wachten’. 

Muziek van het moment: Greenslade, 'Bedside'

ZIJWEGEN

Archieven over de aanleg van sportvelden riepen herinneringen boven. Ik werd verdrietig van fietstochten met de klas naar het sportveld (gymnastiek in de buitenlucht), ik haatte de kleedkamers en de geur van gras, misschien ligt daar mijn gevoel van verwantschap met de schilder Degas, die zelden buiten schilderde. Ik was veertien jaar en verborg mij liever op mijn kamertje en fietste halverwege de rit naar het sportveld wel eens stiekem een zijstraat in.
Jcp Zo zie je maar welke effecten archieven kunnen oproepen. Hoe zal dat gaan als ik zodadelijk daadwerkelijk met archiefselectie word belast en waarde toe ga kennen aan de archivalia (het gevondene) op zichzelf. Dat is een beetje mijn bezwaar tegen archiefselectie nieuwe stijl, alsof het allemaal slechts om fictie gaat. Maar: ‘Archief is geen oud papier! Wanneer wij het over archieven hebben, hebben wij het over Informatie!’, zei een wat strenge meneer onlangs tijdens een interdep. bijeenkomst.
Weer eens gesnuffeld in John Cowper Powys, benieuwd of zijn correspondentie met Henry Miller ooit gepubliceerd is. Zou er in die brieven ook sprake zijn, net als in zijn romans, van vliegen en motten die kunnen praten en hele verhandelingen houden over de Griekse mythologie? Is JCP een wat realistischer Tolkien, afgezien van filosoferend vliegspul? In zijn ‘The art of happiness’ en ‘In defense of sensuality’ propageert JCP de eenzaamheid, zoals ook mannelijke personages in zijn romans vaak in afzondering leven, mannen die al veel te lang vrijgezel zijn en daardoor een beetje raar in het hoofd worden en fantaseren over bibliofiele meisjes die eruit zien als elfjes. Naar men zegt liet JCP zich inspireren door voorgangers als Thomas Hardy en Charles Dickens. De boeken van JCP zijn een wonderlijke samensmelting van realistisch proza en een geheel eigen fantasiewereld (beweringen over dat alles een ziel heeft, ook gras, bloemen, stenen, stokken, wolken, dode bladeren). Als lezer moet je er echter voortdurend met het hoofd bij blijven, anders raak je vele sporen bijster, met alle zijwegen die JCP inslaat. Het meisje Gerda uit ‘Wolf Solent’ blijft een prachtig personage.
Soms deed het mij ook wel denken (ik lees te veel) aan het dagboek van de schilder Delacroix: ‘Het meest reële in mij zijn de illusies die ik in mijn schilderkunst schep. Het overige is drijfzand’.
Het wordt tijd dat er eens een boek (of allemaal) van Cowper Powys wordt verfilmd.
Lees nu een roman over Gauguin: ‘Gouden gestalten’ (1955) van Charles Gorham. Benieuwd of de Hollandse huishoudster van Degas, Sabine Neyt, nog ter sprake komt, die de ongemanierde Gauguin liever zag gaan dan komen in huize Degas.

Muziek van het moment: Minutemen, 'Bob Dylan wrote propaganda songs'

BRIEF AAN NIEMAND

Het nieuwe jaar begonnen met uitlezen van ‘Brief aan niemand: dagboekfragmenten 1948-1984’ (1985) van de Haagse schrijfster Margaretha Ferguson (1920-1992), een dikke pil van 437 pagina’s. Precies 25 jaar geleden beëindigde zij dit dagboek. Zij heeft geen werk van blijvende waarde nagelaten, dat hebben critici haar bij leven al vaak ingeprent. Beb Vuyk  bijvoorbeeld, aan wie zij manuscripten ter lezing aanbood, en die haar behalve complimenten ook toevoegde: ‘het is zo vervelend’. Het dagboek geeft, zoals het hoort, Fergus inzicht in haar dagelijkse leven en haar kennissenkring, onder wie Hella Haasse, Aya Zikken, Clara Eggink, Josine Meyer en Helga Ruebsamen. Veel passages over Indië en Nederlandse schrijvers met Indische wortels, waaronder Ferguson zelf (aldaar verbleven van 1929 tot 1950). En Jozef Eyckmans, van wie ik niet wist dat hij in Den Haag had gewoond, de dichter (‘door iemand de laatste bohémien van Den Haag genoemd’), die jaren in het Julianahofje zijn huishouden voerde, vereenzaamd, levend van zijn grote verzameling grammofoonplaten. Hoe leger het bestaan werd, hoe belangrijker de plaats die poëzie in zijn leven innam: ‘Dan begin ik eindelijk te schrijven. Zo tot een uur of drie…’
Depressies dringen zich aan Ferguson op, veel huilbuien. Zij zoekt, zoals zoveel schrijvers van Indische komaf (zij heeft in een Japans interneringskamp gezeten), haar toevlucht tot mystiek (en boeddhisme) om overeind te blijven. Schrijft zij eerst met de bedoeling het dagboek voor zichzelf te houden (noodzakelijk om greep op haar leven te krijgen), later verandert zij die zienswijze, zij wil iets nalaten voor het nageslacht. Veel bijwoningen van literaire avondjes in Den Haag (o.a. Bzzthôh, Haagse Kunstkring), publiek telt vaak niet meer dan 6 tot 10 mensen, ook dan kan er sprake zijn van ‘een historische avond’, vertelt iemand in het boek van Ferguson. Halfmislukte Slauerhoff-bijeenkomst met lezingen, publiek roept bij lezing van de mompelende Kees Lekkerkerker ‘hebben wij daarvoor een tientje betaald!’ Politieke bijeenkomsten in het inmiddels ter ziele gegane culturele centrum Amicitia, naarmate het dagboek vordert neemt Ferguson meer en positie in, aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Wandelingen door de Scheveningse Bosjes, de Bosjes van Poot en het Westbroekpark en alle meditatieve overwegingen die de wandelingen oproepen. Zij overweegt zich aan te sluiten bij de Soeboed-beweging, opgericht door de Javaanse mysticus Pak Subuh, wereldwijd vele duizenden leden, ook in Nederland (Simon Vinkenoog was gecharmeerd van deze club), maar ziet er uiteindelijk van af. Soms lijkt Ferguson op de gegoede oudere deftige dames die je hier in Den Haag veel tegenkomt: uit verveling of innerlijke onvrede gaat men zich bezighouden met filosofie uit het oosten; men breekt zich het hoofd over dromen en/of reincarnatie of raakt betrokken bij de antroposofie of gaat op latere leeftijd plotseling een goeroe in India of Tibet vereren. Bij Ferguson blijft e.e.a. gelukkig binnen de grenzen en beperkt zij zich tot alternatieve geneeswijzen, het conflict tussen de reincarnatiegedachte en abortus (in de visie van Ferguson wordt een ziel dan ‘teruggestuurd’) & haar fascinatie voor Krishnamurti.
Literaire bezigheden o.m. voor de Jan Campert-stichting en het Fonds voor de Letteren. Verder aan de orde politieke kwesties uit die jaren: de gijzelingsacties door Zuid Molukkers (en de al dan niet verborgen gehouden sympathie voor hun zaak), de neutronenbom, de oorlogen in Nicaragua en El Salvador.
Mocht Margaretha Ferguson zelf geen blijvende positie in de Nederlandse literatuur hebben verworven, haar naam is wel voor altijd verbonden aan de dagboeken van een veel beroemder schrijfster die zij heeft vertaald: die van Anais Nin. Wat zou Ferguson tijdens het vertalen van die dagboeken hebben gedacht? We lezen er niet veel van terug, enkel dit: ‘Als die Anais Nin niet zo zeikerig was kwamen de goeie dingen die ze ook zegt beter uit. En een interessant leven had ze zeker’ (dagboekfragment 13 februari 1981). Deze uitspraak is ook van toepassing op (het dagboek van) Ferguson zelf. Een grotere tegenstelling tussen hun levens is bijna niet denkbaar. Toch is ook het dagboek van Ferguson het lezen waard, al is het maar om de anekdote dat Charley Toorop, de schilderes die het eigenlijk te druk had voor een gezinsleven, haar kinderen ‘uitwerpselen’ noemde. En blijft de indruk over die Ferguson zelf ook enige malen weet te bevestigen: van alle bezetenheden die zij in haar leven heeft gehad, bleef er uiteindelijk maar een over: de bezetenheid voor het schrijven. En dan zo eerlijk mogelijk, en niet zoals collega Hans Warren, bij wiens dagboeken (er waren toen bij mijn weten nog maar twee, drie delen verschenen) zij haar twijfels had: te literair geschreven, teveel achteraf bijgeverfd.

Dagboekfragment 13 november 1983
‘Bij het doorlezen van de vroegere dagboeken treft me steeds weer hoe ongelukkig ik bijna voortdurend ben geweest. Soms valt het me moeilijk in die oceaan van droefenis te duiken, dat drijfzand, die modderpoel, en die woestijnen van eenzaamheid. Ik zeg nu tegen de mensen die ernaar willen luisteren: ‘Ik ben nu niet meer op die manier ongelukkig, ik hoop alleen maar dat het ons nog heel lang gegeven moge zijn het leven zoals het nu is, voort te zetten.’ Het besef dat het alleen maar minder kan worden, dat maakt me niet meer neurotisch depressief. We vechten nu voor onze instandhouding’.

Muziek van het moment: Allerseelen, 'Ob auch mein Herz so funkelt'

ELASTIEKJE

Wat een gedoe om het al dan niet verdwenen archief van uitgeverij Bert Bakker en de in het Parool en elders uitgevochten ruzie daarover tussen Bert Bakker en Mai Spijkers. In het bewuste archief unieke correspondentie met o.a. Hans Warren. Geen wonder dat de fansite van Warren ook aandacht aan de woordenstrijd besteedt:
www.home.versatel.nl/h.warren/nieuws.html

Blaman Vroeger wilde ik leraar worden. Misschien was mij hetzelfde lot beschoren geweest als Anna Blaman, zoals beschreven bij Corrie Lührs en haar door mij gelezen boekje ‘Mijn zuster Anna Blaman’ (1976,  Meulenhoff). De zussen werden allebei onderwijzeres, maar Anna had er al snel genoeg van, zij was  allergisch voor kindergeluiden, zij werd letterlijk ziek van kinderen:  ‘een pauzekwartiertje over de speelplaats van de school met enkele collega’s heen en weer lopen bezorgde haar migraine’ (door het  gejoel, geschreeuw en gedraaf van het kleutergepeupel). Daarna solliciteerde Anna naar kantoorbaantjes, waar ze rustig met documenten kon goochelen (archief?).
Lührs beschrijft hoe zij als leerlinge op weg naar school een gewonde eend redde uit de tramrails en met de eend in haar armen de klas inkwam. Zij werd bespot door de leerkracht, die haar door de klas liet uitlachen. Voor straf moest zij wel eens in ‘het magazijntje’ staan, waar de leerkracht haar zogenaamd kwam terughalen en hij onbespied ‘als een hond tegen mijn achterwerk aanreed’.
Lührs laat zich in haar boek kennen als een vrouw die weinig ophad met andere vrouwen. Steeds weet ze over een dame wel een negatief punt aan te stippen, of over hun levens: ‘Als ze ’s morgens in een lorrige kamerjas achter de piano kroop leefde ze heel haar mislukte leven daarop uit’. ‘Het enige aantrekkelijke aan deze vrouw waren haar blanke tanden’.
Bij gebrek aan een echte biografie over Blaman (er zou aan gewerkt worden door een sigarenrokende letterkundige, zo las ik bij Marja Pruis en haar ‘De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk’, 1999, Nijgh & Van Ditmar) is het boek van Corrie Lührs nog steeds het mooiste dat er over haar is geschreven, met mooie foto’s uit het familiearchief.
Zelf geen eend gered, wel een in stekelige struik met vleugel vastgeraakte duif. Kinderen met mand riepen mij aan, meneer, kunt u helpen? Duif keek alles wat verbaasd aan, wat een aandacht! Ik streelde eerst zijn kop, duif bedacht op onraad, echter direct handvast, tilde duif uit struik, hoop gefladder in mijn handen en duif in een vloeiende beweging in mand gedeponeerd, deurtje toe. Een oudere dame moeide zich ermee: ‘wat is hier aan de hand, ach wat zielig, een duif!'

Gelezen: Edith Ringnalda, 'Heer en meester: een liefdesverklaring' (2009) van de weduwe van Simon Vinkenoog over haar grote liefde, afgelopen jaar gestorven. Sympathiek boekje, licht in de hand, geschreven vanaf het moment dat Simon in het ziekenhuis belandde voor de amputatie. Het verhaal over de 'hoogvlakte van hun geluk'. Zij ontdeed hem pal na de kennismaking van zijn haarelastiekje.

Muziek van het moment: Dinosaur Jr, 'Freak scene'

PESTKOOL

Rond de Kerstdagen verder gelezen in de brieven van Vincent van Gogh, erg mooi. Zoals zijn bezorgheid om zijn moeder, over wie hij broer Theo aanschrijft. Het gaat goed met zijn moeder, zo schrijft Van Gogh, te goed bijna, zo kort na het overlijden van haar man. Waar zij eerst een paar maanden ‘wat beneveld’ leek, werd zij plotseling zeer helder, tot ongerustheid van Van Gogh, die vreest dat dit een aankondiging is van een plotselinge dood, in navolging van vele andere vrouwen die niet lang na hun echtgenoot overlijden. Dit schreef Van Gogh in 1885; zijn moeder zou hem echter veruit overleven (zij stierf 22 jaar later, in 1907).
Overal waar ik heb gewoond zijn plekken die door Van Gogh zijn vereeuwigd: de Schenkkade (Schenkweg), de Nieuwe Slag in Loosduinen (tegenwoordig Groen van Prinsterlaan) en de Noordwal in Den Haag.
Andere brieven gelezen, die van de letterkundige en rijksarchivaris dr. R.C. Bakhuizen van Bakh den Brink (1810-1865, afb), waarin deze geen blad voor de mond neemt wanneer hij het over het bij het Rijksarchief werkzame personeel heeft. ‘Het is de lastigste, domste verwaande kwast, dien men zich denken kan. De Jonge (rijksarchivaris 1831-1853) heeft gemakshalve hem met het Archief laten rondtobben: dien ten gevolge beschouwt hij zich als de incarnatie daarvan en twee ridderordes, die hij om zijne groote gedienstigheid verdient heeft hebben gemaakt de Zwaan zich zelven niet meer kent, maar voor een adelaar aanziet. Intusschen heb ik van al mijn leven weinig menschen gezien die dommer zijn bij zoveele gelegenheid om wetenschap op te doen’. Elders noemt hij deze J.A. de Zwaan ‘het onwetendste gedierte denkbaar’. Bakhuizen van den Brink trof het Archief bij aantreden in een gigantische wanorde, wat leuke passages oplevert: ‘een collega die schoon dertig jaren in het vak er nooit iets van begrepen en nooit iets van geleerd heeft en te zeer opgeblazen is van eigenwaan om het ooit verder te brengen. Ik heb nog geen jaar in het Archief gearbeid; maar met alle zelfvoldoening kan ik zeggen dat het onmogelijke door mij gedaan is’. Bakhuizen van den Brink stierf in 1865 aan ‘pestkool’.
En deel 3 gelezen van de brieven van E. du Perron, aangeschaft bij antiquariaat De Slegte in Nijmegen, mijn favoriete filiaal van deze firma (schandalig goedkoop: euro 4,50). In dit deel vinden nogal wat verhuizingen plaats van de grote rusteloze geest Du Perron, ook in deze contreien: zo woonde hij een twee maanden in de Van Imhoffstraat (nr 16) in Den Haag, aan de Koningin Wilhelminalaan 19 in Voorburg (heb ik ook zo’n zes jaar gewoond), aan de Laan van Oostenburg 27 en Parkweg 49, eveneens in Voorburg. In dit deel beschrijft Du Perron zijn legendarische knokpartij (in werkelijkheid een uitwisseling van twee, drie vuistslagen) met M. Nijhoff, die het niet kon hebben dat Du Perron hem ‘ouweloel’ had genoemd.

Muziek van het moment: Rare Earth, 'I just want to celebrate'

Laatste reacties

  • Hannes Mijn complimenten voor dit e

februari 2010

ma di wo do vr za zo
1 2 3 4 5 6 7
8 9 10 11 12 13 14
15 16 17 18 19 20 21
22 23 24 25 26 27 28

Laatst bijgewerkte weblogs

Blog powered by TypePad
web-log.nl, powered by TypePad