Antoinewiertz_laliseusederomans_5Over mezelf: ambtenaar (archieven). Veellezer. Liefhebber Nederlandse literatuur. Poëzie (ook zelf beoefenend). Kunstgeschiedenis. Politiek en openbaar bestuur. Muziekfreak: progrock, dark wave maar ook veel andere stromingen. Geboeid door imagovraagstukken.
Lijfspreuk: beproef je vooroordelen.
Op verzoek de oorspronkelijke binnenkomer van dit weblog in ere hersteld: ‘La liseuse de romans’ van Antoine Wiertz.
Neem ook eens een kijkje bij vrienden:

www.forum.archieven.org
www.verlaine.web-log.nl
www.ggm-utermark.blogspot.com
www.quintusvermeulen.blogeiland.nl 
www.babrios.blogspot.com

EIGEN TAAL

Laatst zei iemand het weer tegen mij: ‘ik lees buitenlandse romans alleen in de oorspronkelijke taal’. Het klinkt altijd wat hooghartig, alsof ons land niet over uiterst kundige vertalers zou beschikken. Maar boeken lezen in een andere taal zal ongetwijfeld de kennis verrijken. Ik lees zulke boeken bijna altijd in vertaling (alleen brieven lees ik liefst in de originele taal, bijv. van Dylan Thomas), omdat ik a) eigenlijk te lui ben en b) omdat vertalers worden onderbetaald en als beroepsgroep nog steeds niet geheel serieus worden genomen. Ik herinner mij dat Bas Heijne, die ik wel een goed essayist vind, er eens een column aan heeft gewijd, aan die mensen die alles in de originele taal willen lezen. Ook hij vond dat een bekrompen houding. Ik heb het even opgezocht, ‘Heilige monsters’, hoofdstuk ‘Onnederlands’.
Permexp Quote: ‘De lezer die de literatuur tot zich laat komen in de vorm van vertalingen, wordt door een zichzelf respecterende Hollandse intellectueel beschouwd als een enigszins onvolkomen lezer, als iemand die het Kanaal overzwemt met een zwemband. Het beroep van vertaler staat dan ook niet erg hoog aangeschreven: ‘Ik lees nooit vertalingen.’
Heijne neemt het op voor de vertalers. Hij meent dat veel Nederlanders geen hekel hebben aan vertalingen, maar aan de eigen taal! Heijne wijst erop dat vertalers die uit het Nederlands vertalen, wel brede waardering kennen in Nederland (bijv. werk van Nooteboom, Mulisch). Heijne houdt een pleidooi voor meer Nederlandse vertalingen en concludeert: ‘De Nederlandse literatuur zal minder ‘Nederlands’ worden, wanneer er meer Nederlandse vertalingen gelezen worden’.

Voor archiefonderzoek zeer Hollandse archivalia op mijn bureau over en van letterkundigen Dirk Coster, F. Bordewijk, M. Nijhoff en dichter P.N. van Eyck en aanbevelingen; correspondentie met de originele handtekeningen van Lodewijk van Deijssel, Frans Meijnssen, Anton van Duinkerken en Ina Boudier-Bakker; diegenen die een schrijverspseudoniem hadden, ondertekenden met  de eigennaam. Over dezelfde brief waarover deze schrijvers hebben geademd, ademde afgelopen week erfgoedman, de briefzijden die door schrijversvingers zijn beroerd, werden bevoeld door hem.
Prachtig ouderwets-deftig ambtelijk taalgebruik onder ogen gehad.
Ook mooie plaatjes bekeken, van Frits Van den Berghe, over wie een schitterend dik boek in de aanbieding. Van de schilders De Vlaminck en Derain, die, zo las ik, in hetzelfde voorstadje van Parijs woonden, maar elkaar pas voor het eerst ontmoetten toen hun trein verongelukte. Daarna kwam de vriendschap, de lange wandelingen door de lichtgeglooide omgeving van Chatou, de schilders met hun massieve lijven en gebeeldhouwde koppen. Een van mijn andere favorieten is de Vlaamse reus Constant Permeke, schilder/beeldhouwer, de krachtpatser die zijn grootheidswaan vertaalde in metershoge beeldhouwwerken waaraan hij, staande op hoge trappen, maanden lang werkte. Zijn palet bestond uit een tafelblad. Hij had vier, vijf ateliers, grote hallen in de buurt van zijn woning, met de fiets pendelde hij heen en weer tussen zijn werkplaatsen.

Muziek van het moment: Camper van Beethoven, 'I hate this part of Texas'

ZEEUWEN

Gisteren bij Pauw& Witteman de boze rechtse oudere man Sörensen van Leefbaar Rotterdam, die indruk dacht te maken door een citaat van Multatuli over tafel te gooien. Niemand sloeg er acht op.
Onlangs weer eens (een deel van) ‘Brieven aan Mimi’ van Multatuli herlezen, waarin hij verslag doet van zijn uitputtende lezingencyclus door Nederland. Hij heeft ook enige malen Zeeland aangedaan (Goes, Vlissingen, Middelburg). Ook de grote Zeeuw P.J. Meertens (‘Meneer Beerta’ uit Het Bureau) verwijst naar hem in zijn geschriften. Meertens doet een uiteWolfdekenrmate treurig stemmend verslag van de sociale situatie van Zeeland uit die dagen. Bittere armoede, honger, uitbuiting, veel ziekte, troosteloosheid. Het socialisme was in opkomst in Nederland, maar kreeg in Zeeland geen voet aan de grond vanwege het sterke calvinisme en de macht van de kerkgenootschappen. De kerken deden ook praktisch niets om de armoe van de mensen te verlichten. Multatuli had naam gemaakt met zijn ‘Max Havelaar’, een aanklacht tegen de uitbuiting van de Javanen door de Nederlanders. Men zou dus mogen verwachten dat hij, sprekend in Zeeland, zich ook daar met de plaatselijke situatie zou inlaten om de mensen een hart onder de riem te steken. Geen woord! Lezend in ‘Brieven aan Mimi’: alleen maar zelfvoldane zichzelf op de borst slaande uitweidingen over hoeveel mensen nu weer op zijn lezing waren afgekomen! En hoe hij zich na afloop een weg moest banen over modderwegen. Meertens neemt Multatuli in bescherming: de Zeeuwse boerenstand was bijna voltallig analfabeet en dus nauwelijks in staat kennis  te nemen van Multatuli’s werken, en bovendien hadden zij wel iets beters te doen: overleven!
Meertens zinspeelt nog op de - volgens Meertens zeer geringe - invloed van Zeeuwen op de kunst en literatuurgeschiedenis. Verder dan Jacob Cats en Philibert van Borsele komt Zeeland niet, volgens Meertens, die hierover zijn spijt en leedwezen betuigt, maar hierin volgens mij te pessimistisch is en nogal wat namen vergeet te vermelden.
Onlangs archivalia in handen over de Zeeuwse letterkundige Hendrika Catherina Maria Ghijsen, redelijk bekend geworden om haar publicaties over Betje Wolff en Aagje Deken (‘Dapper vrouwenleven’ verwierf redelijk wat faam), en in mindere mate door haar navorsingen naar de herkomst van Zeeuwse dialecten, waarover zij een woordenboek samenstelde dat in eerste instantie verloren is gegaan. Vele jaren zwoegde zij eraan, in 1940 was het werk klaar, de oorlog brak uit en veiligheidshalve werd haar manuscript ondergebracht in de Provinciale Bibliotheek, dat echter al spoedig door oorlogshandelingen vernietigd werd, waarmee dus ook haar levenswerk. Op wilskracht en volharding begon zij opnieuw aan de klus.                   

Muziek van het moment: The Chameleons, 'Up down the escalator'

BRIL

Gisteren viel het rechterglas uit mijn bril. Zoiets eens meegemaakt bij een concert van Solution, honderd jaar geleden. Tijdens de toegift, Solution speelde een cover van Billy Cobham, ‘Stratus’ (en dat deden ze heel goed), plofte ineens een glas uit de bril van frontman Guus Willemse. Wow, die eerste twee platen van Solution, waaronder ‘Divergence’!!!! Hollandse progrock van de bovenste plank. Meteen hun recente driedubbelaar (verzamelcd-box) opgezet.
Vandaag oorlogsarchivalia op mijn bureau over de al dan niet arische identiteit van actrice Fie Carelsen.

Terechtkomen in de mindere buurten van Parijs, n.a.v. de hieronder genoemde verhalenbundel ‘Bijten in het toeval’ van Hanneke Paauwe. Over de onbekende buurten gaat het boekje ‘Zones’ van Jean Rollin en men kan ook ‘Lutetia en de vreemdeling: wandelingen door Parijs’ van onze eigen J. Tersteeg er op naslaan (plus natuurlijk de honderden andere Jbrusse boeken over Parijs). Tersteeg volgt min of meer dezelfde route als Rollin dat tientallen jaren na hem zou doen. Maandenlang doorkruiste deze journalist per openbaar vervoer zijn stad en schreef er een aardig verslag over. Zo onbekend zijn veel van de door hem beschreven plekken voor mij niet. Tijdens mijn vele korte en langere trips naar Parijs heb ik in die stad  vele kilometers te voet afgelegd, als ik wel eens naar Parijs ging om grammofoonplaten en later cd’s te kopen van Franse artiesten als Jean Patrick Capdevieille en Serge Gainsbourg, die in Nederland nergens te koop  waren en on-line bestellingen nog niet in de mode.
Ook kwam ik eens terecht in Menilmontant. Ik had bij mijn ouders thuis wel eens musettemuziek gehoord waarbij de naam Menilmontant nogal eens in de titels van de liedjes voorkwam, dus ik stelde mij er heel wat bij voor. Viel een beetje tegen; wel dacht ik dat ik Juliette Greco zag lopen, maar die hallucinatie zal wel een gevolg van de hongerklop zijn geweest en woonde zij niet in de rue  de Verneuil, een hele andere kant op? 
Tersteeg zoekt eveneens de minder bekende straatjes op, zoals de rue Barrault, en roept ons op onbeschaamd door de raampjes van oude huizen te loeren. ‘Het wordt een koorts, het wordt een ondeugd bijna, in Parijs de oude huizen binnen te gluren en naar haar geheimen te speuren. Er zijn er, ondanks de moker des tijds, nog vele. Ge kunt een deel van uw leven aan die ondeugd besteden, en ze niet berouwen noch moede ervan worden’.
Het kan best zijn charme hebben om eens te logeren in een achterafhotel, met bijvoorbeeld de weinig romantische naam (waar ik ooit eens twee nachten heb doorgebracht) Hotel de l’Industrie, en daarbij het boekje van Rollin of Tersteeg als alternatieve stadsgids te gebruiken. Of, natuurlijk, de boekjes van de al met al onovertroffen Jan Brusse (foto).

Muziek van het moment: Solution, 'Trane steps'

UIT EIGEN KAST

Soms ben ik in de bibliotheek om boeken te lenen, maar bij het zien van het gigantische aanbod verstar ik en ren ik bij wijze van schrijven naar huis om maar een nog ongelezen boek uit de eigen collectie ter hand te nemen. Zo doende las ik het alleraardigste ‘Een vak vol boeken: herinneringen aan veertig jaar leven in en om de uitgeverij’ van Wim Schouten, met veel anekdoten over De Bezige Bij en de schrijvers uit die stal. Herinneringen aan Adriaan Morriën, Hugo Claus, Bert Schierbeek, W.F. Hermans, Victor E. van Vriesland en Simon Vinkenoog. De laatste begon plotseling over spiritualiteit en God te schrijven (in ‘Liefde, 70 dagen op ooghoogte’), tot vermaak van Schouten: ‘Heb ik steeds aan mijn kinderen verteld dat God niet bestaat en nu kom jij ze vertellen, dat het wel zo is.’
Sprins Ook mooi, verschenen in februari van dit jaar: ‘De eeuw van Sonja Prins’ van Lidy Nicolasen, over de eigenwijze dichteres (1912-2009) die Ravensbrück overleefde en die de laatste tientallen jaren van haar leven sleet in een vervallen boshut bij Baarle-Nassau, vrijwel ontoegankelijk door alle deuren blokkerende stapels boeken en documenten. Wat een leven wordt in dat boek beschreven: dochter van Api Prins en Ina Willekes MacDonald, en zelf moeder van kinderen die niet dezelfde vader hadden. Ravensbrück, haar tijd bij de CPN en de zelfmoord van haar dochter Lissa zijn de barsten in haar leven. Stel je voor: je zwaar depressieve dochter zit opgesloten in een kliniek in Wolfheze, en na haar dood krijg je alle brieven die je aan je suïcidale dochter hebt geschreven terug: in ongeopende enveloppen, de brieven van een moeder werden door haar dochter ongelezen gelaten. Een erger postuum verwijt bestaat bijna niet. In bloemlezingen van vrouwelijke dichters kom je haar naam bijna nergens tegen; niet in 'Vrouwen dichten anders' (2000), niet in 'Volmaakte aanwezigheid, volmaakt gemis' (1999).
Een andere dichteres gelezen, wel in beide bloemlezingen opgenomen, vorig jaar eigenlijk vrij anoniem gestorven maar die haar sporen heeft nagelaten: Ankie Peypers, die in 1946 debuteerde met de bundel ‘Zeventien’.
Ook weer gegrasduind in een van mijn favoboeken, ‘Het slotfeest’ (2004) van Jacques Kruithof, een boek van 635 blz, dat zich afspeelt in Amsterdamse kringen van het hoger beroepsonderwijs. Het is een boek in dagboekvorm geschreven, vol beschouwingen over de teloorgang van het onderwijs in de jaren zeventig en tachtig door de socialistische en marxistische tendensen in die tijd, het werkklimaat aan een instituut voor hoger onderwijs in Amsterdam, een honderden bladzijden lange grafrede op het culturele verval in Nederland en de kaalslag die de onderwijsvernieuwingen teweeg hebben gebracht.
Verder, bij wijze van troost en vlucht, in de roman van Kruithof veel beschouwingen over componisten als Gustave Mahler en Berlioz, en schrijvers als Robert Musil, Thomas Mann, Gustave Flaubert, Cesare Pavese en Marcel Proust. (Kruithof publiceerde al eerder over Mann en Musil.)
Het hoofpersonage, docent Melchior, wordt treurig van zijn luie studenten, met het ouder worden komt hij steeds verder van hun leefwereld af te staan en hij bestrijdt, gelijk Balkenende, de zesjescultuur.
‘Het past bij de gewichtloosheid die hen zo vaak kenmerkt: soms aperte domheid, soms onverschilligheid, en altijd een gebrek aan scherpe intelligentie en gerichte wilskracht; er is geen behoefte wezenlijk te veranderen, zichzelf te overtreffen. Wat impliceert dat ze evenmin behoefte hebben aan mij, of mijnsgelijken.’
Destijds betaalde ik de volle mep voor ‘Het slotfeest’, dat nu voor een grijpstuiver bij De Slegte ligt. Het was het waard, een mooi boek.

Muziek van het moment: The Fires of Ork, 'Gebirge'

SENSITIEF

Tijdje afwezig geweest op deze plek, geen Mexicaanse griep, wel mogelijk een terugslag van het eind van de zomertijd en het een uur terugdraaien van de klok. Voor mij is dat een beproeving, er komt geen eind aan de dag, de naweeën zijn heftig.
Presentatie gehouden en donderdag ook nog gedichten voorgedragen op podium in Den Haag ter ere van de uitgave van de debuutbundels van de dichters Guido Utermark ('Ik ben een stad ommuurd door dromen') en Jet Crielaard ('Vogelvluchtsprookjes') bij uitgever Haags Fris. Beide dichters hebben een heel eigen toon, aanschaffen! Bij www.witte-uitgeverij.nl
Afgelopen dagen last gehad van spontane stemuitval – zou dat psychisch wezen? – en me zorgen gemaakt dat zoiets ook tijdens voordracht zou kunnen gebeuren. Zoiets heb ik ooit eens meegemaakt bij een concert van de Cocteau Twins in het Paard van Troje, toen Jellema zangeres Elisabeth Fraser, befaamd vanwege haar rollers, plotseling midden in een liedje na verschorring geheel stilviel en in huilen uitbarstte & bij een voordracht van een schrijfster van moeilijke meisjes-verhalen, die gedurende haar voorlezing steeds zachter begon te praten tot het publiek zich barwaarts begaf.
Maar nee, het ging redelijk goed en de nachtmerries van een andere dichter die niet op podium durfde vanwege: touwen met weerhaken en harpoenen vlogen vanuit het publiek naar het podium en troffen de dichter in de borst en flanken. De dichter werd met flinke rukken de zaal ingetrokken. De vloer van de zaal kleurde al spoedig van het bloed van de spartelende dichter. Een grote gespierde baardman met een moker wierp een net over de dichter en kwam met geheven wapen op hem af, waren niet de mijne.
De gedichten moet zelf hun werk doen, vind ik en vond ook de dichter Jan Jacob van Geuns (1893-1959), die nooit optrad en pogingen van literaire vrienden om hem in contact te brengen met invloedrijke figuren in het circuit die zijn bekendheid konden bevorderen. gedecideerd afsloeg. Als dat toch eens gebeurde, zo wil het verhaal, dan zweeg hij hardnekkig in het gezelschap van de mandarijnen.
Ik voel me enigszins verwant aan Van Geuns. Zit ik in de archieven, Van Geuns was griffier en dichtte daarover:
‘Hoeveel papieren gaan er door mijn handen:
gaat het om moordenaars, stichters van branden
of anderen, die, dewijl zij samenspanden
tegen de wetten, eindelijk toch belanden
in de voor dwangverblijf bestemde panden:
ik teeken altijd met dezelfde zwier:
voor afschrift: de griffier’

In stad belaagd door een junk met wollen hoofdomslag die mijn motoriek nadeed. Veel meisjes in het drukke centrum die zogenaamd mobiel telefoneren. Zij hebben zichtbaar niemand aan de lijn, zij geven geen antwoord en hun ogen staan leeg en ijdel. Wat is dat toch weer voor een absurde gewoonte. Waarschijnlijk: a) als ik met een mobieltje aan het oor loop is het net of ik een populair meisje ben b) word ik niet aangesproken door lastige mannen.
Nog steeds lyrisch over het dagboek (‘Een web van dromen: dagboek 1963-2000’) van C.O. Jellema, onlangs verschenen, de dichter die leefde van 1936 tot 2003, en waarin onzekerheden worden verwoord over het inzenden van gedichten en verhalen. Jellema betuigt op de eerste bladzijden zijn voorliefde voor het verhaal ‘Hotel Bonheur’ van Anna Blaman (stelt hij boven Hugo Claus), en dat schept direct een band. Soms een dodelijk eerlijk dagboek, bijvoorbeeld – op de allereerste bladzijde - over zijn ‘verloofde’ Sun, die hij eigenlijk niet in zijn nabijheid verdraagt, omdat hij zich constant door haar bespied waant en hij het ook niet kan verdragen, als nog latente homoseksueel, dat zijn familie haar als zijn aanstaande beschouwt. Haar aanwezigheid werd hem te veel, zeker omdat Sun haar hele leven op Jellema had ingesteld. Zij kende verder niemand. Hij wilde wel enige uurtjes per dag voor haar reserveren, zij wilde constant bij hem zijn. Zoiets is onverdraaglijk voor een creatieve geest. Toen ik het boek na weer een paar bladzijden op tafel legde, werd het meteen bekropen door een najaarsvlieg (reincarnatie van Sun?). Jellema betuigt zijn liefde voor alles wat decadent is. Hij krijgt ook nog te horen dat zijn (eerste) verhalen en gedichten onoprecht overkomen en ergert zich zelf aan uitspraken van andere dichters in de pers (hij doelt op Hans Verhagen). Het dagboek roept hier en daar associaties op aan de dagboeken van Frida Vogels, net zo hypersensitief.

Muziek van het moment: Cut City, 'Damaged'

STAALBORSTEL

Zojuist herdrukt en in de winkels te koop: ‘Een lust voor het oog’, Jan Siebelinks enigszins surrealistische roman uit 1977.
Het is het verhaal over de jonge leraar Jeroen Swijgman (let op de initialen J.S.), die toetreedt tot het lerarencorps van het O.L. Vrouwe van Lourdes-college, ondanks de naam Jsiebel een openbare mavo-school. De directeur van de school luistert naar de wonderlijke naam Bisperink, collega-leraren heten Teeuwbek, Lorijn, Seins, Dunnewind, Reeb. Onheilspellende namen, en dat klopt, want ‘Een lust voor het oog’ is een apocalyptische roman van zedelijk verderf en ondergang, die zich tijdens een steeds ondraaglijker wordende hittegolf afspeelt. Het schoolgebouw ligt aan de rand van Dieren, in de roman een stil en vergrijsd spookplaatsje, dat met een sterke ontvolking te maken heeft.
De dandy Swijgman wordt geconfronteerd met losgeslagen lerarenkoppels, die bij elkaar thuis wilde feesten houden. Drankzucht, seksuele extremiteiten, onderlinge rivaliteit, intriges, complotten en haat bepalen de sfeer op die leraarsfeestjes en de sfeer op school. Op de feestjes speelt de perverse Eïse, echtgenote van Lorijn, een centrale rol. Zij vernedert haar man en andere leraren en geraakt slechts aan haar erotisch gerief wanneer haar hoofd wordt bewerkt met een staalborstel.
Tussendoor onderzoekt de onderwijsinspectie op school de kwaliteit van de leerkrachten, en let daarbij vooral op vermeende communistische sympathieën.
Swijgman, die zich bij voorkeur hult in fraaie Italiaanse kostuums, ondergaat alles lijdzaam, tot hij op school een spreekbeurt moet houden; het is op school gebruik dat alle leraren om de zoveel tijd een lezing verzorgen. Tijdens zijn voordracht wordt Swijgman bevangen door zijn spreekangst. Hij plast voor de hele zaal zichtbaar in zijn beige broek.
Angst domineert het verhaal.
Zie ook Markus Ohrts, de roman 'De lerarenkamer' (2003):
‘de angst van de leerlingen voor de rector, voor de ouders, voor de leraren en de angst van de rector voor de ouders en de inspectie, alsook de angst van de inspectie, voor de ambtenaren op het ministerie, de angst van de ambtenaren op het ministerie voor de minister van Onderwijs, de angst van de minister van Onderwijs voor de minister-president en de angst van de minister-president voor de kiezers, of liever gezegd de mogelijke niet-kiezers, dus de ouders, vertegenwoordigd in de ouderraad.’
In ‘Een lust voor het oog’ is het vooral de angst voor collega’s, voor de onvoorspelbaarheid van de dag die komen gaat, het lot van een leraar die zich door zijn afstandelijke gedrag (komt veel voor in de onderwijsverhalen van Siebelink) buitensluit en die weigert mee te doen aan machtspelletjes en uiteindelijk in een overreactie tot een fatale daad komt.

Van de gelegenheid gebruik makend om nog eens de hele goede roman ‘De kamerling’ (2001) van Sasja Janssen aan te prijzen, over scholier Alexander die na de dood van zijn vader op verzoek van zijn moeder in huis wordt genomen door zijn wel heel rare leraar Starke.
Ook nog eens herlezen ‘Robinson’ (1976), de scholierenroman van Doeschka Meijsing (met een thematiek die lijkt op de onderwijsverhalen van Siebelink), en wie echt alle stereotiepe gebreken van een leraar tot zich wil nemen, die leze de belevenissen van de onhandige en chaotische leraar Henry Wilt, bijvoorbeeld ‘Wilt zit omhoog’ (1984) van Tom Sharpe.

VARKEN

Aardig: de schrijfster Marie Darrieussecq (1969) schreef een eigen versie van Kafka’s ‘Die Verwandlung’ met haar roman ‘Truïsmes’(1997), over een jonge verkoopster in een parfumeriewinkel, die schunnige dialogen voert met haar mannelijke klanten en die Darres_truismes gaandeweg de roman langzaam in een varken verandert en trek krijgt in mensenbabies. 
Deed in de verte denken aan de beruchte roman ‘De slager’ (1989) van Aline Reyes (ook van Franse origine), over een jonge vrouw die erotisch in ban raakt van een varkensachtige slager die haar allerlei smerigs influistert, en zij erover fantaseert hoe zij voor de slager vrouwelijke klanten naar de keuken zal slepen en de vrouwen samen met de slager misbruiken, tussen de gekoelde karkassen.

Weg van de varkens. Mooi (oud) citaat van Alf Tent, archiefmedewerker van de Rijksuniversiteit Groningen:
‘uiteindelijk blijft niet wie schrijft, maar wie archiveert’ (uit rubriek ‘De werkplek’ in het universiteitsweekblad UK d.d. 8 juni 2006; als archiefman lees ik natuurlijk oud nieuws).
Dit citaat kan in algemene zin zowel ten goede als ten kwade worden geduid. Het lot van een dossier zou dan, in de negatieve context, afhankelijk zijn van de grillen van een archiefmedewerker, los van de wettelijke vernietigings-of bewaarcriteria.
Afgelopen donderdag lichtte ik oude dossiers uit het archief over zaakgelastigden te Balk, Woudsend en Heeg. Ha, Woudsend en Heeg:

Nu weet ik, wie gij zijt,
de Jongen die ik eenzaam zag te Woudsend en daarna,
nog op dezelfde dag, in een kafee te Heeg.
Ik hoor mijn Moeders stem.
O Dood, die waarheid zijt: Nader tot U.
(Gerard Reve, 'Herkenning')

Verder gelezen ‘En in een mum is het avond' (1975) van Buddingh, dagboek derde deel. De huiselijkheid, ik zou bijna zeggen kneuterigheid, walmt van de bladzijden zo je eigen Cbudd huiskamer in. Buddingh lijkt me wel een gezellige man te zijn geweest, die van anekdotes hield, van Britse zoveelsterangslectuur, cricket en nog meer zaken zonder echt veel belang of gewicht, zijn katten uitgezonderd; de liefde voor zijn katten werkt aanstekelijk en ga ik zelf ook weer met andere ogen naar katten kijken. Buddingh, op pag 90: ‘Ik ben een gezelligheidsmens die graag veel alleen is’, en daarin herken ik mezelf. Mooie verslagen van Poetry International.

Verdere archivalia over o.a. antiquarische zaken.
Ik heb mij eens verdiept in het antiquarenwezen, de wereld van de oude boeken, maar dat milieu kwam mij nog vreemder voor dan die van de archieven, hoewel toch meer omgeven met romantiek en liefde voor het boek. Ik las de levensverhalen van beroemde antiquaren als Max Elte, Nico Israel, Menno Hertzberger, alsook de latere Frits Knuf en Anton Gerits. Allemaal mannen van statuur, je kwam zelden iets te weten over hun vermogendheid, maar vermogend moeten zij geweest zijn, hele dure bibliotheken kochten zij op, zij reisden de wereld rond op zoek naar zeldzame boeken uit bijvoorbeeld de zestiende eeuw.
Ik ben eens op een antiquarenbeurs geweest, uit nieuwsgierigheid. De handelaren omgaven zich met veel geheimzinnigheid, men was terughoudend met het geven van informatie (bedrijfsgeheimen?), en zodra ik in de buurt van hun dure handel kwam, schoof een diender van het vermaarde antiquariaat zich tussen mij en het dure boek dat ik wilde bekijken, alsof ik van plan zou zijn geweest erop te spuwen of er een vandalenmes in te planten. Zoiets doet erfgoedman natuurlijk niet, maar toegegeven: door op de heenweg niet te schuilen voor een regenbui zag ik er wellicht wat verwilderd uit.

Muziek van het moment: Wolfmother, 'Witchcraft'

UNGAR

August Strindberg (1849-1912) kleeft het imago aan van een vrouwenhater, terwijl het tegendeel het geval zou zijn geweest. Handig om er ander werk van de auteur naast te leggen. Nu beproef ik romans over bibliothecarissen, maar de roman ‘Het verweer van een gek’ (verschenen in 1887) beschrijft toch wel een van de vreemdste bibliothecarissen uit de wereldliteratuur. Zoals in zoveel boeken beschrijft Strindberg hierin zijn eigen ervaringen met Ungar vrouwen, in casu zijn fatale liefdes. In ‘Het verweer van een gek’ beschrijft Strindberg (de aanloop naar) zijn huwelijk met de actrice Siri von Essen, over wie hij wel meer heeft geschreven. Had Strindberg gemeend in een huwelijk met haar tot rust te kunnen komen, daar werd Siri spoedig weer getroffen door de ‘toneelmanie’ en ‘voorbijgaande gril’, zoals Strindberg het beschrijft. Wat is Strindberg, behalve romancier ook toneelschrijver en dus zeer onderlegd in het herkennen van acteeertalent, toch een prachtige schrijver. Er zit alles in, in ‘Het verweer van een gek’: nauwelijks onderkoelde woede, zelfspot, (zelf)ironie en, inderdaad, een zekere vorm van vrouwenhaat.
In het oeuvre van Hermann Ungar (1893-1929, fotootje) kom je die vrouwenhaat ook, misschien nog wel sterker, tegen. ‘Hij wilde nooit het lichaam van een naakte vrouw aanraken. () Als blootgelegd vlees, als de loshangende lappen van een opengereten wond. De schilderijen en standbeelden van naakte vrouwen in musea wilde hij nooit zien.’ Hermann Ungar, ‘De verminkten’ (1923). Een prachtige roman over bankbediende Franz Polzer die doodsbenauwd is voor vrouwen en voor wat zij onder hun kleren verbergen.
Vroeger zat ik in een leesclubje en soms wisten wij maar niet op een titel te komen voor een volgende bijeenkomst. Sindsdien heb ik veel mooie romans gelezen, ook ‘De verminkten’ is een typisch leeskring-boek, en nog lekker dun ook. Ungar publiceerde in 1927 een ander heerlijk boek, ‘De klas’, over een wereldvreemde leraar die bang is voor zijn klas en die er daarom ongenadig de zweep over probeert te leggen: tucht! Zou Bordewijk hem, Ungar, hebben gekend toen hij aan zijn ‘Bint’ begon?

Muziek van het moment: Bauhaus, 'Muscle in plastic'

SCHEPPEN

In de openbare bibliotheek ontfermde een verwarde vrouw zich over het meubilair, schoof steeds stoelen heen en weer en terug onder tafel. Bij mij aangekomen, brabbelend en gebarend; ik diende op te staan zodat zij mijn stoel onder tafel kon schuiven. Daarna ondergingen de stoelen aan een tafel verderop hetzelfde ritueel.
Toen ik, in een zeer ver verleden, een periode werkloos was, kwam ik vaak in de openbare bibliotheek en las er vele boeken en tijdschriften, noteerde dingen in een aantekenschriftje. Thdevries Zo voelde ik mij opgenomen in de grote groep mensen die dagelijks de bibliotheek bezochten, ik had ergens deel aan, ik verdiepte mijn kennis, ik bleef op de hoogte, of deed een poging daartoe.
Probeerde er bijvoorbeeld een boek van Theun de Vries (foto), over wie ik onlangs iets in het archief tegenkwam (soms heb je zo’n dag: in welke doos je ook papier schept, cultuur, geschiedenis, literatuur, niets dan plezier!),  n.a.v. de uitreiking van de Staatsprijs voor Letterkunde 1962 (PC Hooftprijs). De toenmalige cultuurminister Bot wijdde in zijn toespraak ook enige woorden aan Bordewijk, aanwezig bij de uitreikingsplechtigheid ter ere van zijn vriend Theun de Vries:
‘F. Bordewijk, die ik hier in het bijzonder begroet; hij gaat straks zijn tachtigste levensjaar in, hetgeen hem tot ons aller vreugde niet verhindert scheppend te blijven werken’. Het was het eerste openbare optreden van de minister op het gebied van de kunsten.
Bordewijk wordt ook genoemd in het onlangs verschenen (heel mooie) dagboek van de enige jaren geleden overleden dichter C.O. Jellema. 

Muziek van het moment: The Flaming Lips, ‘Are you a Hypnotist?’

OVERLEVEN

Vorige week, tijdens de op televisie uitgezonden verkiezing van de leraar van het jaar, zeiden de drie bekroonde leerkrachten stuk voor stuk dat het lesgeven ‘fantastisch en inspirerend’ was, en: ‘een kind geeft zoveel terug’.
Dat blijkt (nog steeds) niet uit de romans over leraren.
‘Ik ben leraar, ik houd niet van kinderen’, zegt het hoofdpersonage in ‘Het zwart uit de mond van Madame Bovary’ (1974) van Willem Brakman. ‘Voor mij bestaat de hel uit schoolkinderen en Italianen.’
Profijt Iets milder staat het verwoord in de roman ‘Braaf meisje’ (2002) van Saskia Profijt, zelf ook in het onderwijs werkzaam, uit de mond van een onderwijzeres aan een basisschool: ‘Dat vind ik wel het vervelende van deze baan, hoor, die kinderen.’
Soms vraag je je af waarom Susan, het hoofdpersonage, in het onderwijs is gegaan. Dat vraagt ze zichzelf ook geregeld af. Omdat ze niets anders kon, luidt het antwoord. Ook dat zie je regelmatig in andere lerarenromans terug. Iemand die niet weet wat hij/zij wil worden, kiest maar voor het leraarschap.  Susan betrapt zich er af en toe op dat zij in de klas onvriendelijk reageert op de kinderen uit haar groep. ‘Er is geen onplezieriger gezicht dan een kind dat schrikt van de hardheid in jouw stem. Dat ze ineenkrimpen alsof je ze wilt slaan. Ik schrik er zelf van en constateer beschaamd dat ze nog bloost ook. Het is een oude truc van leraren en een die ik verfoei. ‘Doe je dat thuis ook?’ ‘Ja, ik heb tegen jou, ja!’ Val flink uit tegen één kind, de rest van de klas valt stil en jij kunt je hele frustratie over je ellendige leven kwijt, met een aandachtig publiek en een kansloze zondebok’.
Helaas gaat maar een klein deel van de roman over het werk op school, maar wat wordt beschreven is herkenbaar en bijna klassiek voor het verschijnsel ‘het desintegrerend leraarschap’, wat je veel bij lerarenpersonages in romans terugziet. Vaak lijdt men aan fundamentele levensproblemen: thuis gaat het niet goed, en wanneer de thuissituatie instabiel is, heeft dit zijn weerslag op het functioneren voor de klas, op school, tussen deze werelden kan men nog moeilijk schakelen.
Zo ook Susan. Zij heeft net haar vader verloren, ze heeft een moeilijke relatie met haar moeder, met haar problematische broer, de jarenlange relatie met de harteloze Mark is uiteengespat en haar nieuwe liefde Louis, een acteur, scheept haar op met zijn vrijblijvende kijk op trouw (hij heeft bij drie verschillende vrouwen kinderen verwekt) en zijn weigering zich echt in haar in te leven. Op school heeft ze het gevoel dat ze haar werk niet goed doet, dat het de andere leerkrachten allemaal beter afgaat. Is ze op school even beschikbaar voor de kinderen, dan drommen ze gelijk om haar heen. Thuis stapelt het nakijkwerk zich op. Problemen op school neemt ze mee naar huis, problemen thuis neemt ze mee naar school. Veel zaken zijn niet per definitie kenmerkend voor een onderwijsgevende, wel is er in de klas bijna geen gelegenheid om zich even terug te trekken, even tot rust te komen. Dat kan nu eenmaal niet, met al die kinderen die allemaal recht hebben op aandacht en begeleiding.
De twijfel slaat toe, en voor ze het weet zit ze op de bank bij de therapeute voor een loopbaantraject. Een therapeute die ook nog eens, denkt Susan, regelrecht van de  Bhagwanbeweging afkomstig lijkt. En die haar voorhoudt: ‘Sommige mensen zijn minder gevoelig dan anderen. En hoewel de gevoeliger soort erg waardevol is voor het onderwijs, is het onderwijs een veeleisend beroep voor hen.’
En dat is een opvatting die je vaker terugziet in verhalen over leerkrachten. De leraar die zich, om te kunnen overleven, heeft teruggetrokken achter een harnas van onverschilligheid houdt het blijkbaar langer vol.

Muziek van het moment: The Fall, 'The man whose head expanded'

Laatste reacties

november 2009

ma di wo do vr za zo
            1
2 3 4 5 6 7 8
9 10 11 12 13 14 15
16 17 18 19 20 21 22
23 24 25 26 27 28 29
30            

Laatst bijgewerkte weblogs

Blog powered by TypePad
web-log.nl, powered by TypePad