Het nieuwe jaar begonnen met uitlezen van ‘Brief aan niemand: dagboekfragmenten 1948-1984’ (1985) van de Haagse schrijfster Margaretha Ferguson (1920-1992), een dikke pil van 437 pagina’s. Precies 25 jaar geleden beëindigde zij dit dagboek. Zij heeft geen werk van blijvende waarde nagelaten, dat hebben critici haar bij leven al vaak ingeprent. Beb Vuyk bijvoorbeeld, aan wie zij manuscripten ter lezing aanbood, en die haar behalve complimenten ook toevoegde: ‘het is zo vervelend’. Het dagboek geeft, zoals het hoort,
inzicht in haar dagelijkse leven en haar kennissenkring, onder wie Hella Haasse, Aya Zikken, Clara Eggink, Josine Meyer en Helga Ruebsamen. Veel passages over Indië en Nederlandse schrijvers met Indische wortels, waaronder Ferguson zelf (aldaar verbleven van 1929 tot 1950). En Jozef Eyckmans, van wie ik niet wist dat hij in Den Haag had gewoond, de dichter (‘door iemand de laatste bohémien van Den Haag genoemd’), die jaren in het Julianahofje zijn huishouden voerde, vereenzaamd, levend van zijn grote verzameling grammofoonplaten. Hoe leger het bestaan werd, hoe belangrijker de plaats die poëzie in zijn leven innam: ‘Dan begin ik eindelijk te schrijven. Zo tot een uur of drie…’
Depressies dringen zich aan Ferguson op, veel huilbuien. Zij zoekt, zoals zoveel schrijvers van Indische komaf (zij heeft in een Japans interneringskamp gezeten), haar toevlucht tot mystiek (en boeddhisme) om overeind te blijven. Schrijft zij eerst met de bedoeling het dagboek voor zichzelf te houden (noodzakelijk om greep op haar leven te krijgen), later verandert zij die zienswijze, zij wil iets nalaten voor het nageslacht. Veel bijwoningen van literaire avondjes in Den Haag (o.a. Bzzthôh, Haagse Kunstkring), publiek telt vaak niet meer dan 6 tot 10 mensen, ook dan kan er sprake zijn van ‘een historische avond’, vertelt iemand in het boek van Ferguson. Halfmislukte Slauerhoff-bijeenkomst met lezingen, publiek roept bij lezing van de mompelende Kees Lekkerkerker ‘hebben wij daarvoor een tientje betaald!’ Politieke bijeenkomsten in het inmiddels ter ziele gegane culturele centrum Amicitia, naarmate het dagboek vordert neemt Ferguson meer en positie in, aan de linkerzijde van het politieke spectrum. Wandelingen door de Scheveningse Bosjes, de Bosjes van Poot en het Westbroekpark en alle meditatieve overwegingen die de wandelingen oproepen. Zij overweegt zich aan te sluiten bij de Soeboed-beweging, opgericht door de Javaanse mysticus Pak Subuh, wereldwijd vele duizenden leden, ook in Nederland (Simon Vinkenoog was gecharmeerd van deze club), maar ziet er uiteindelijk van af. Soms lijkt Ferguson op de gegoede oudere deftige dames die je hier in Den Haag veel tegenkomt: uit verveling of innerlijke onvrede gaat men zich bezighouden met filosofie uit het oosten; men breekt zich het hoofd over dromen en/of reincarnatie of raakt betrokken bij de antroposofie of gaat op latere leeftijd plotseling een goeroe in India of Tibet vereren. Bij Ferguson blijft e.e.a. gelukkig binnen de grenzen en beperkt zij zich tot alternatieve geneeswijzen, het conflict tussen de reincarnatiegedachte en abortus (in de visie van Ferguson wordt een ziel dan ‘teruggestuurd’) & haar fascinatie voor Krishnamurti.
Literaire bezigheden o.m. voor de Jan Campert-stichting en het Fonds voor de Letteren. Verder aan de orde politieke kwesties uit die jaren: de gijzelingsacties door Zuid Molukkers (en de al dan niet verborgen gehouden sympathie voor hun zaak), de neutronenbom, de oorlogen in Nicaragua en El Salvador.
Mocht Margaretha Ferguson zelf geen blijvende positie in de Nederlandse literatuur hebben verworven, haar naam is wel voor altijd verbonden aan de dagboeken van een veel beroemder schrijfster die zij heeft vertaald: die van Anais Nin. Wat zou Ferguson tijdens het vertalen van die dagboeken hebben gedacht? We lezen er niet veel van terug, enkel dit: ‘Als die Anais Nin niet zo zeikerig was kwamen de goeie dingen die ze ook zegt beter uit. En een interessant leven had ze zeker’ (dagboekfragment 13 februari 1981). Deze uitspraak is ook van toepassing op (het dagboek van) Ferguson zelf. Een grotere tegenstelling tussen hun levens is bijna niet denkbaar. Toch is ook het dagboek van Ferguson het lezen waard, al is het maar om de anekdote dat Charley Toorop, de schilderes die het eigenlijk te druk had voor een gezinsleven, haar kinderen ‘uitwerpselen’ noemde. En blijft de indruk over die Ferguson zelf ook enige malen weet te bevestigen: van alle bezetenheden die zij in haar leven heeft gehad, bleef er uiteindelijk maar een over: de bezetenheid voor het schrijven. En dan zo eerlijk mogelijk, en niet zoals collega Hans Warren, bij wiens dagboeken (er waren toen bij mijn weten nog maar twee, drie delen verschenen) zij haar twijfels had: te literair geschreven, teveel achteraf bijgeverfd.
Dagboekfragment 13 november 1983
‘Bij het doorlezen van de vroegere dagboeken treft me steeds weer hoe ongelukkig ik bijna voortdurend ben geweest. Soms valt het me moeilijk in die oceaan van droefenis te duiken, dat drijfzand, die modderpoel, en die woestijnen van eenzaamheid. Ik zeg nu tegen de mensen die ernaar willen luisteren: ‘Ik ben nu niet meer op die manier ongelukkig, ik hoop alleen maar dat het ons nog heel lang gegeven moge zijn het leven zoals het nu is, voort te zetten.’ Het besef dat het alleen maar minder kan worden, dat maakt me niet meer neurotisch depressief. We vechten nu voor onze instandhouding’.
Muziek van het moment: Allerseelen, 'Ob auch mein Herz so funkelt'
Laatste reacties